Verhaal Marianne

'Het is moeilijk uit te leggen wat een geheim met je doet. Het is een monster dat steeds groter wordt en eruit wil.'

 

Schrijven is goed voor je - het brengt je geest tot rust. Het vermindert stress en het geeft inzicht en perspectief. Het zorgt voor een opgeruimd en rustig hoofd en als mijn hoofd iets kan gebruiken is het rust en minder gepieker.


Ik ben Marianne. Nee, daar begin ik al verkeerd. Mijn naam is Marianne en wie ik ben dat weet ik niet - dat is de grote vraag. Daar ben ik nog steeds niet helemaal uit. Door wat er in mijn leven is gebeurd, door de keuzes die ik heb gemaakt en door keuzes die anderen voor mij hebben gemaakt, ben ik geworden wie ik nu ben. Ik weet alleen nog steeds niet zo goed wie dat nu is.

 

Ik ben veertig jaar oud, getrouwd en samen hebben we drie kinderen. We zijn inmiddels zes keer verhuisd. Er is al veel gebeurd in mijn leven, maar het allerbelangrijkste wat als een rode draad door mijn leven loopt is dat ik op mijn negentiende te horen heb gekregen dat ik een donorkind ben. Dat mijn vader, mijn vader helemaal niet is. Dat is wat mij iedere dag bezighoudt en wat me niet loslaat. Een groot gapend gat, een leegte die ik voel, een puzzel, onrust. Een sluimerende vulkaan, die zo nu en dan tot uitbarsting komt. Soms lijkt hij te slapen en is het even rustig, maar er borrelt altijd wel wat en soms komt hij tot uitbarsting en op dit moment stroomt de lava er in volle hevigheid uit.

 

Ik las in een tijdschrift een quote van een lezer die anoniem wilde blijven: Leegte is eigenlijk niets, maar ondertussen vult het mijn hele leven. Zelfs mijn achternaam die ik draag klopt dus niet, mijn meisjesnaam dan. Ik ben inmiddels getrouwd en heb er nu minder last van, maar overal sta ik nog ingeschreven met de naam die ik meegekregen heb van mijn vader. En het is niet dat ik niet bij mijn opvoedvader wil horen, alleen niet bij die familie. Het is niet de familienaam waar ik vanaf stam, waar ik familietrekjes van heb. Want waar mijn geschiedenis en wortels liggen, is niet bekend.

 

Ik heb twee broertjes uit mijn opvoedgezin en twee halfbroers en -zussen. Van de twee broertjes uit het opvoedgezin heeft er één zijn DNA ook laten testen en we weten nu dat we volle broer en zus zijn, dus we hebben dezelfde moeder en vader. Ik praat hierna niet over volle of halfbroers en -zussen, omdat het in mijn ogen zou aangeven dat ik de een niet voor vol aan zie of diegene minder waard zou zijn. Doordat ik zo lang niet heb geweten hoe ik ben ontstaan en het daarna ook zo lang heb moeten verzwijgen ben ik hier pas veel te laat iets mee gaan doen - te laat aan mezelf gaan werken. Ik voel me nog incompleet en heb een sterke drang naar het vinden van mijn biologische vader.

 

‘Al is de leugen nog zo snel, de waarheid achterhaalt hem wel.’ 

 

Dit spreekwoord gebruikte mijn moeder vaak en ik weet zelfs nog de eerste keer dat ze het tegen me zei. We liepen van het schoolplein van mijn basisschool via de fietsenstalling naar huis. Ik durfde iets niet te vertellen aan iemand, en toen zei ze het. Toen wist ik nog niet dat mijn moeder over iets veel groters - iets essentieels voor mijn identiteit, mijn zijn - loog. Was het inmiddels zo’n gewoonte geworden dat ze niet eens in de gaten had hoe hypocriet het eigenlijk was? Of zou ze het zelf ook hebben beseft en hoopte ze dat de waarheid de leugen zou achterhalen? Ik had het kunnen vragen, maar dat deed ik niet. We praten er nu nog steeds niet over en eigenlijk wil ik dat ook helemaal niet meer.

 

Ik heb jarenlang gedacht dat ik een kind van mijn oom en tante was. Pure fantasie, omdat ik meer op mijn tante leek. Ook vond ik dat ik ‘dingen’ van mijn oom had, maar dat was misschien meer wens dan werkelijkheid. Ik logeerde daar veel en vond het er heel fijn. Ik voelde me daar meer op mijn plek dan thuis, waardoor ik er steeds meer van overtuigd raakte. Ik dacht dat ze waarschijnlijk nog te jong waren en daarom gevraagd hadden aan mijn moeder om mij op te voeden. Tot het moment dat de fantasie inmiddels zo groot gegroeid was dat het voor mij een waarheid werd en dat ik het zeker wilde weten.

 

Het was 9 juni 2000 toen ik net mijn politiekeuring in Apeldoorn had gehad en we onderweg waren naar huis. Ik had een knieblessure waardoor ik niet kon rijden en mijn moeder reed daarom mee. Ik trok de stoute schoenen aan en dacht: ik laat het terloops gewoon vallen: 'Goh, ik heb altijd gedacht dat ik van mijn oom en tante was’. En toen dacht mijn moeder waarschijnlijk dat het een goed moment was om het te vertellen. Het toeval wilde - of misschien juist daarom - dat we net langs Oosterbeek kwamen. In de auto werd me verteld, dat mijn vader niet mijn biologische vader was en dat ik niet hoefde te gaan zoeken. Immers er zou toch niets meer zijn, omdat alles was vernietigd. De beste man zou ook gaan emigreren naar Afrika en was waarschijnlijk allang dood.  

Achteraf bleek dit ook niet waar te zijn en had ik hem toen nog op kunnen zoeken. Zijn vrouw leeft nu -twintig jaar later - zelfs nog. Ik mocht aan mijn vader niet vertellen of laten merken dat ik het wist, want dat zou hem te veel verdriet doen en ik mocht al helemaal niets tegen mijn broertjes vertellen, want die zouden het niet snappen. In mijn herinnering heb ik alleen gezegd dat ik natuurlijk niets zou zeggen en dat het toch ook niet uitmaakte - mijn vader heeft me toch opgevoed en verder verandert er niets. Maar vanaf dat moment was er wel voorgoed wat veranderd: de vertrouwensband was beschadigd.

Tijdens dezelfde autorit werd me nog wat anders verteld, wat hier niets mee te maken heeft, maar bij mij wel het beeld vormde dat mijn moeder mijn vader niets waard vond - een slappeling, een loser. Alsof ze begrip wilde creëren bij mij waarom ze het zo zwaar had met mijn vader en waarom het geoorloofd was om zo te doen. Dit is de grondslag geweest waarbij ik niet alleen meer wist wat mijn vader nu van mij was, maar ook dat de band met mijn moeder kapot was. Ik dacht daar toen niet veel over na en deze ervaringen hebben mij mede gevormd, maar niet in de persoon die ik eigenlijk wilde zijn. Ik heb continu begrip gehad en er was ook geen draaiboek voor met als titel: Hoe vertel je je kind dit? Maar nu vraag ik me wel vaak af hoe je in deze situatie geen empathie kunt opbrengen? Je kunt je toch wel een beetje inleven hoe zoiets bij een kind aankomt? Hoezo doe je dit in de auto terwijl mijn vader hier niets van wist en ik het voor iedereen geheim moest houden?

 

Nu ik veel bezig ben met nadenken wat mij gevormd heeft, is dat de reden geweest dat ik daarna nooit meer vriendinnen heb gehad of echt een band kon opbouwen, zoals vrouwen dat met elkaar kunnen. Mijn moeder behandelde mij meer als een vriendin dan een dochter en legde geheimen bij mij neer. Ik vond het verschrikkelijk en als dat bij vriendinnen hoorde dan hoefde ik geen vriendinnen. Geef mij maar jongens, dacht ik vanaf dat moment, die zijn tenminste eerlijk en je weet wat je aan ze hebt. Ik reageerde ook altijd best heftig op bepaald gedrag en had echt een hekel aan roddelende vrouwen. Ik kon daarom ook altijd beter met mannen overweg, wat niet altijd begrepen werd.

 

Dit voorval deed te veel pijn en het bracht te veel onrust met zich mee om te blijven denken aan mijn nieuwe realiteit. Dus ik begroef het en stortte mezelf volledig in een relatie en het maken van een eigen gezin. Ik wilde vooral bezig blijven, zodat ik geen tijd had om na te denken of om naar mezelf te kijken en met mezelf bezig te zijn.

 

In 2007 is het uiteindelijk ook tegen mijn broertjes verteld. Het kwam totaal onverwacht. Er was wat voorgevallen en toen vroeg mijn broertje of mijn ouders nog meer geheimen hadden en toen dropte mijn moeder de bom. En in één adem zei ze ook meteen dat ik het al wist. ‘Ons pap kon geen kinderen krijgen en is dus niet jullie biologische vader en Marianne wist dit al.’ Bam. Zo, dat was eruit en ik voelde me verschrikkelijk. Ik verstijfde en wist niet wat te doen of te zeggen. Ik keerde nog meer in mezelf - in mijn hoofd - dan ik al deed. Vanaf dat moment was voor mij ook de relatie tussen mijn broertjes veranderd en was die band beschadigd. Ook al had ik dit natuurlijk zelf veroorzaakt door niets te zeggen. Zo heeft mijn moeder mij weer tussen haar en mijn broertjes in gezet en dat zou niet de laatste keer zijn.

 

Ik neem het mijn ouders niet kwalijk dat ze niets hebben gezegd, het was een andere tijd. Wat de arts je vertelde of beloofde, dat was zo. Ze waren zo ook opgevoed, waren naïef. Ze móchten het niet eens vertellen, dus ik heb daar begrip voor. Wat ik niet begrijp en pas de laatste jaren ben gaan ontdekken, is dat iedereen in mijn familie en zelfs op het werk van mijn moeder op de hoogte was. Daarom begrijp ik de loyaliteit niet richting de arts waarvan ze het niet mochten vertellen. Iemand had zijn mond voorbij kunnen praten en op deze manier wil je toch niet dat ik erachter kom? Daarna is mij gevraagd het niet verder te vertellen - het geheim te houden voor mijn broertjes. Ook mocht ik niet aan mijn vader laten merken dat ik het wist, want ik zou hem hiermee kwetsen. Ik heb nu geleerd dat ik zelf de keuze heb gemaakt dit ook niet te vertellen, dus dat ik hierover alleen maar boos kan zijn op mezelf. Ik was nog jong, had niet geleerd om eigen keuzes te maken. Ik was totaal geen sterke onafhankelijke vrouw en wilde toch zeker mijn vader niet kwetsen. Het is de loyaliteit die je richting je ouders blijft hebben, ondanks dat ze je zo enorm gekwetst hebben en dat ze je vertrouwen zo enorm beschadigd hebben.

 

Het resultaat hiervan is dat ik geen vertrouwen meer heb in mijn ouders. Ik geloof niets meer van wat ze zeggen. Al zegt mijn moeder honderd keer dat ze trots op me is, ik geloof er niets van. En dat heeft jarenlang zitten broeden. Ik geloofde niemand meer die zei: ‘Goed gedaan', of nog erger: 'Ik hou van jou'. Zelfs mijn eigen man niet. Dat mijn moeder dit bij mij had neergelegd, was te veel voor me. Het had zo'n druk op mij gelegd. Ik liep nu met het geheim rond en als er ruzie was tussen mijn ouders of met mijn broertjes stond ik er voor mijn gevoel altijd tussenin. Ik heb altijd het gevoel gehad 'de lieve vrede' te moeten bewaren en dat bleef spelen in de rest van mijn leven. Ik durfde niet voor mezelf op te komen, niet tegen anderen in te gaan en was bang voor confrontaties. En ik moest vooral enorm presteren en alles onder controle houden om maar niet te falen, want ik kon niet aangeven dat ik het ergens moeilijk mee had, dat het te veel was of dat ik niet om hulp kon vragen.

Die pure onzekerheid voelde ik altijd. Het altijd op zoek zijn naar de bevestiging of ik goed genoeg was. Omdat ik niet wist wie mijn biologische vader is, ging ik twijfelen aan wie ik was. Ik voelde me niet compleet. Dit is natuurlijk niet realistisch, want ik bepaal uiteindelijk zelf wie ik ben. Maar ik werd gevormd door mijn ervaringen en hoe ik hiermee om moest gaan. Mijn ervaringen waren niet positief als ik over mijn gevoel wilde praten. Over gevoel praten deden we niet. Dat resulteerde in het nooit praten over mijn gevoelens. Ik zat altijd in mijn hoofd te piekeren.

 

Met mij was altijd alles goed: ik kon goed acteren en had een masker opgezet. Ik was altijd diegene die anderen hielp met hun problemen, die voor anderen klaarstond. Die ook geen ‘nee’ durfde te zeggen. Ik had geleerd dat je beter een smoesje kon verzinnen dan de waarheid vertellen, want je mag niet gewoon tegen iemand zeggen dat je je ergens niet goed bij voelt of dat je ergens geen zin in hebt.

 

Ik weet nog dat - toen ik net samenwoonde en mijn moeder langskwam - ze haar vinger over de kast heen haalde om te kijken of ik nog wat had overgeslagen, of er nog stof lag. Dus als er iemand langskwam moest ook echt alles opgeruimd en schoon zijn. Alles voor het oog van het kerkvolk. Hoe het echt met mij ging, hoe het er van binnen in mij uitzag, maakte niet uit, dat zag niemand.

 

Ik zorgde altijd goed voor de uiterlijke mens, want ik heb niet geleerd om voor de innerlijke mens te zorgen. Ik was dan ook veel met het uiterlijk vertoon bezig, als dat er maar goed uitzag. Van buiten moest alles er perfect uitzien, ik moest alles op orde hebben. Ik heb inmiddels geleerd dat je er niet dood aan gaat als iemand ziet dat je drie kinderen hebt rondlopen die nu eenmaal alles overhoophalen. Ik kan er steeds beter tegen, maar nog steeds ontplof  ik als ik de rommelige kamer van mijn dochter zie of ben ik enorm aan het stressen als er mensen op bezoek komen en alles nog steeds op zijn kop staat. Dan voel ik me weer schuldig, want ik wil niet dat mijn kinderen hetzelfde leren. Ik heb allerlei boekjes gehaald om ze te leren dat het oké is te zijn wie ze zijn, maar het beste voorbeeld is natuurlijk dat ik ze dat zelf laat zien. Dat ik niet zo kritisch ben op ze en vooral ook laat zien dat ik oké ben met mezelf.

 

Ik kon altijd alle ballen hooghouden, totdat ze op een gegeven moment allemaal vielen. Het heeft behoorlijk wat gekost en ik ben er nog lang niet - ik moet blijven leren, want ik val snel terug in oude gewoontes. Maar ik wil niet meer terug naar de tijd dat ik dacht dat de wereld beter af was zonder mij. Het wordt tijd dat ik mijn eigen leven ga leiden, de teugels zelf in handen ga nemen en niet meer door anderen laat bepalen hoe ik moet leven. Ik wil er dus geen geheim meer van maken dat ik een donorkind ben. Ook al stuit dit op heel veel weerstand en is dat voor mijn ouders en broertjes heel moeilijk te begrijpen. Ik was zo klaar met dat gelieg en gedraai en wilde niet meer mijn mond houden en al helemaal geen rekening meer houden met anderen. Ik probeer nu iedereen op de hoogte te houden van mijn keuzes - te respecteren dat ze er zelf niets mee willen – en toch voor mezelf te kiezen. Geen geheimen meer, dat nooit meer.

 

In mijn familie heb ik altijd het gevoel gehad dat er iets niet klopte, puur intuïtief. We hebben een fijne familie, maar ondanks dat heb ik me altijd anders en alleen gevoeld - een buitenbeentje. Dit is iets wat heel moeilijk uit te leggen valt en waar mijn familie ook zeker raar van op zal kijken. Ik dacht ook altijd dat we heel hecht waren, maar iets klopte er niet. Het contact ging ook nooit dieper en er werd niet over gevoel gepraat. Er werd niets gezegd als iemand iets deed waar een ander zich niet prettig bij voelde. Er werd wel veel gepraat over anderen, maar niet rechtstreeks tegen diegene die het betrof. Ik zie nu dat hetzelfde conflict vermijdende gedrag dat ik vertoon en aangeleerd heb gekregen, in de hele familie zit. Ik kon daar altijd heel slecht tegen en kon daar boos om worden. Ik moest dan van mijn moeder mijn mond houden: ‘Dat zeg je niet.’

 

Als ik verhalen over vroeger hoor, dan was ik blijkbaar opstandig, koppig en druk. Ik voelde me stout, slecht en ging me gedragen zoals er van me verwacht werd en zoals ik dacht dat anderen wilden dat ik me gedroeg. Ik ben afgewezen op eigenschappen die ik heb en die in de familie niet herkend werden. Met de familie aan mijn vaderskant heb ik dus echt helemaal niets. Daar heb ik ook helemaal geen contact meer mee en dat vind ik ook niet erg. Achteraf werd pas duidelijk waarom.

 

Toen ik en mijn broertjes hét eenmaal wisten, weet ik niet eens of mijn moeder tegen de familie heeft gezegd dát we het wisten. Er is in elk geval niemand geweest die het er daarna met ons over gehad heeft. Nu - ruim tien jaar later – is het inmiddels duidelijk dat ik er meer over wil weten en er open over wil praten. Het heeft wat teweeggebracht in de familie, toen duidelijk werd dat ik er ineens een grote broer bij had en deze niet geheim wilde houden. Maar zelfs nu wordt daar niets over gezegd en wordt het hele onderwerp vermeden. Waarschijnlijk weten ze niet wat ze moeten zeggen en weten ze zich geen houding te geven. Het doet me pijn dat er niemand naar me toe is gekomen en gevraagd heeft wat het met me gedaan heeft of gevraagd heeft hoe het met me gaat.

 

Op een afscheidsfeest voor mijn neefje raakte ik behoorlijk van slag door de vraag of ik een vriendenboekje in wilde vullen. Er stond de vraag in: ‘Hoeveel broertjes en zusjes heb je?’ Ik kon kiezen uit: één, twee, drie, vier of ontelbaar. Hierdoor stonden mijn nekharen weer overeind en het zweet brak me uit. Mijn opstandige ‘ik’ wilde heel graag het antwoord ‘ontelbaar’ omcirkelen. Kijken wat ervan gezegd werd of hoe erop gereageerd werd. Ik heb het boekje maar even teruggegeven en daarna een andere bladzijde in gevuld - maar daar stond een vraag om je broertjes en/of zusjes te tekenen. Toen heb ik maar netjes gedaan wat er van me verwacht zou worden. Me netjes volgens het plaatje gedragen - uit respect om maar niets overhoop te halen. En ik snap het wel en het was waarschijnlijk het beste, maar ik voelde me echt verschrikkelijk daarna. Het voelde niet goed voor mij. Waar is het respect voor mij?

 

Weet je, ik vind het ook moeilijk en word een beetje verscheurd door verschillende gevoelens. Ik hou echt van mijn familie en het is ook mijn familie - de familie aan mijn moederskant. Ik ben echt gek op mijn ooms en tantes. Ik logeerde er regelmatig en paste op mijn jongste neefjes en nichtjes. Familiedagen waren - en zijn nog steeds - altijd leuk en gezellig en we hebben de grootste lol. Maar de andere kant is dat juist wat me ook pijn doet, dat ik er niet over mag praten en dat een deel van wie ik ben genegeerd wordt, of dat ik niet mag zijn wie ik ben. Nogmaals, het gaat over koetjes en kalfjes bij ons. Het gaat niet dieper, want over gevoelens praten doen wij niet.

 

Ze hebben het niet in de gaten, maar onbewust dragen ook zij bij aan de identiteitsproblemen die ik heb ontwikkeld. De worstelingen die ik heb doorgemaakt met mijn zelfbeeld. Er valt hen niets te verwijten - het was niet hun geheim - en het was niet aan hen om te vertellen. Maar ik had gewild dat er iemand tegen mijn ouders had gezegd dat ze het moesten vertellen. Ik had gewild dat er iemand naar me toe was gekomen en me had gevraagd hoe ik me voelde, de moeite had gedaan om te luisteren. Maar het wordt nog steeds genegeerd en voor mijn gevoel ben ik dus niet belangrijk genoeg.

Ook op mijn moeders werk waren ze op de hoogte en de ouders van mijn schoonzusje wisten het ook, maar ook daar heeft niemand zijn mond voorbij gepraat. Ik zou willen dat iemand dat wel had gedaan of in een dronken bui er wat uitgeflapt had. We zijn in een dorp opgegroeid en dat heeft ook zeker bijgedragen aan het feit dat er niet over gesproken mocht worden. Alles moest goed en mooi zijn voor de buitenwereld. Daarom heb ik inmiddels zo’n pesthekel aan dat dorpse, achterbakse gedoe.

 

In de zomer van 2018 besloot ik dat het tijd werd om verder te gaan zoeken. Ik kwam vrij snel in contact met de Facebookgroep van kliniek Oosterbeek en ik heb me toen als zoekende gemeld bij de SKDB en heb een DNA-test bij een internationale databank besteld. Deze heb ik geüpload naar een andere databank en ik heb inmiddels nog twee DNA-testen gedaan: bij het Fiom en nog een internationale databank.

 

Bij mij heerst er een allesoverheersende drang om te weten waar ik vandaan kom, van wie ik zoveel eigenschappen heb? Kun je je voorstellen dat je continu - als je iemand met dezelfde trekjes ziet - denkt dat het hem weleens zou kunnen zijn? Iedere keer als er iemand bij komt in die Facebookgroep van Oosterbeek kijk ik of ik overeenkomsten zie. En die ging ik zien – geloof me – ik wilde op een gegeven moment zo graag herkenning vinden. Ik wist dat ik dat niet moest doen - omdat het geen zin had - maar toch trapte ik er steeds weer in.

 

Inmiddels ben ik gestart met het bouwen van een stamboom met al mijn DNA-matches in de hoop er op een andere manier achter te komen. Het is een puzzel die ik gestart ben en nu af wil maken. Het is niet uit te leggen aan de mensen uit je omgeving - die zelf geen donorkind zijn - wat het met je doet. Hoe het voelt om je bij iedere man van een bepaalde leeftijd waar je een klik mee hebt - waar je jezelf in herkent -af te vragen of het je vader kan zijn. Het is een optelsom van confrontaties die op een gegeven moment te veel is. Een paar voorbeelden: ik was net bevallen van mijn oudste zoon en de kinderarts kwam langs en vroeg of er misschien Indisch bloed in de familie zat vanwege de oogstand. Ik kon niet het antwoord geven dat ik had willen geven, want mijn broertje en schoonzusje waren erbij - die het op dat moment nog niet wisten. Dus ik zei maar: ‘Niet dat ik weet’. De arts vervolgde: ‘Ah, ik zie het al! Je hebt het zelf ook.’ Op dat moment wilde ik dus vragen of er dan Indisch bloed aan mijn vaderskant zou zitten? Uiteraard kon ik die vraag op dat moment niet stellen, maar het houdt me nu nog steeds bezig.

 

Een collega vraagt op een dag of ik ergens een zus heb wonen, want ik lijk echt als twee druppels water op die persoon. Ik kon niet zeggen: ‘Ja? Wie dan? Is ze misschien een donorkind?’ Toen wist ik het zelf nog maar net een paar jaar en mocht het tegen niemand vertellen.

Dit soort situaties vreten aan je, want op die momenten reageer ik altijd maar ontkennend. En ach, iedereen heeft wel ergens een dubbelganger rondlopen. Er waren ook nog geen DNA-testen -tenminste, niet zoals nu. Als iemand het me nu zou zeggen, dan zou ik diegene het liefst meteen een wattenstaafje in de mond duwen.

Oude bekenden die de jeugdfoto’s zien van mij en mijn man zeggen soms dat we zoveel op elkaar lijken dat het wel incest lijkt. In plaats van dat ik ze op hun nummer zet - omdat het gewoon een ongepaste opmerking is - kan ik op zo’n moment wel door de grond zakken. Je kunt je voorstellen dat mijn man inmiddels ook een test heeft moeten doen. Ik had er toen nog niet bij stil gestaan dat er natuurlijk ook nog broers en zussen rond konden lopen.

Anderhalf jaar geleden ben ik bij een nieuw bedrijf gaan werken en ik had meteen een klik met mijn leidinggevende. We begonnen - op een paar dagen na - tegelijk bij dit bedrijf en toen ik hem zag, schrok ik. Ik vond hem veel lijken op mijn grote broer waar ik een paar jaar daarvoor mee gematched was. Hij is groot en heeft een spleetje tussen zijn tanden. Ook qua karakter hebben we overeenkomsten en we zijn allebei vrij direct in onze communicatie - wat niet echt Brabants is, zei hij mij en waar niet iedereen zo goed mee om kan gaan. Nee, dat kan wel kloppen en ik heb hem toen alles verteld. Op een gegeven moment zei hij dat we wel broer en zus konden zijn. Ehm, dat moet je niet tegen mij zeggen. Ik vind het dan heel lastig om het anders te zien en zou het dan ook het liefste meteen willen testen. Ik had er echt moeite mee toen hij vertrok bij dit bedrijf en heb er zelfs om gehuild. Moet je nagaan hoe sterk het gemis is of wat de zoektocht met je doet, niet wetende hoeveel familie er nog rond kan lopen en wie dat allemaal kunnen zijn. Je zult wel denken: dat mens is compleet gestoord. En misschien is dat ook zo. Toen hij hoorde dat ik met dit verhaal bezig was, heeft hij me gezegd dat ik trots mag zijn en dat ik maar veel vertrouwen in mezelf moest hebben en dat hij dat ook in mij had. Dat deed me heel veel.

Gelukkig is mijn man dit rare gedrag inmiddels een beetje gewend en hij snapt waar dit vandaan komt, omdat ik het zelf ook steeds beter begrijp. Dit is dus wat ik heb gemist bij mijn vader of grote broer en waarom ik daar dan zo naar verlang.

 

Ik heb vroeger een aantal keer de Airborne in Oosterbeek gelopen. Tijdens deze tocht kwam ik altijd langs het huis waar de kliniek zat waar ik verwekt ben. Ik weet niet of de kliniek in die tijd nog bestond, maar de arts woonde er in elk geval nog wel. Hoe vreemd moet dit voor mijn ouders zijn geweest? Was het toen misschien een goed moment geweest om het te vertellen? In 2019 heb ik hem weer gelopen en heb de hele route gezocht naar een bekend gezicht, een teken, een gevoel. Stond hij misschien ergens langs de route? Zou mijn vader soms meelopen? Of een broer of een zus? Op de een of andere manier lijken Oosterbeek en die regio mij toch aan te trekken.


In 2019 werd ik gevraagd voor een interview voor in De Gelderlander. Tijdens het interview - toen de Airborne ter sprake kwam - riep ik met mijn grote mond dat ik eigenlijk had willen flyeren. Een flyer met daarop een foto met op de ene helft mijn gezicht en op de andere helft een vraagteken. Dit werd opgepikt en er werd mij gevraagd of ik met mijn foto zo in de krant wilde. Nu ik A had gezegd, moest ik ook B zeggen. Ik zou er in elk geval een groot publiek mee bereiken, misschien nog wel meer dan met de Airborne en ook nog eens in de regio waar mijn vader waarschijnlijk vandaan komt. Dat interview werd opgepikt door de media en voor we het wisten zaten we aan tafel bij Pauw.

Niet heel lang daarna kreeg ik ergens een stapel boeken mee naar huis en daartussen zat een boek waarvan de titel me meteen aansprak en waardoor deze herinnering naar boven kwam. Het verhaal gaat over een vrouw die op een dag met haar foto in de krant komt, vervolgens op televisie en niet veel later een brief ontvangt met daarop: ‘Ben ik misschien jouw vader?’ Ik las het boek bijna in één adem uit. Wauw, dit was wel erg confronterend. Het legt op sommige momenten de vinger op de zere plek of verwoordt precies mijn gevoel in een confrontatie met mijn ouders. Nog niet heel lang geleden heb ik in de krant gestaan, met mijn foto. En na dat artikel ben ik zelfs op tv geweest en heb ik een video-interview gedaan. Ik kan je niet uitleggen hoezeer ik hoopte dat mij hetzelfde zou overkomen. Dat er iemand contact zou zoeken en vragen: ‘Ben ik misschien jouw vader?’ Helaas is dit niet gebeurd.


En nu heb ik het nog helemaal niet over de praktische zaken gehad: een ontbrekende medische geschiedenis. Ik ben zelf gediagnostiseerd met ADHD en ik vermoed dat dit erfelijk is en van mijn vaderskant komt. Ik zie namelijk veel eigenschappen terug bij mijn broers en zus en ook weer bij hun kinderen. Dit is geen levensbedreigende ziekte die in de familie voorkomt, maar ik had het graag geweten – er rekening mee willen houden. Dan had ik me hierom niet afgewezen gevoeld en er iets mee kunnen doen. In groep acht wist ik het, maar er is daarna niets mee gedaan. Mijn moeder wilde niet dat er een labeltje op me geplakt werd. Helaas heb ik hierdoor niet de juiste handvatten gekregen en het voelde altijd als iets slechts - als iets wat verborgen en weggestopt moest worden. Nu begrijp ik dat dit waarschijnlijk was, omdat het niet herkend werd in onze, eigen familie en het dus wel van mijn vader moest komen.

Soms voel ik me een hypochonder - wanneer ik ergens last van heb - door niet te weten wat er in de familie voorkomt.

 

Dit alles is nog steeds een groot taboe in Nederland en de donorkinderen die het wél weten zijn nog maar het topje van de ijsberg. Heel veel ouders nemen het helaas mee in hun graf óf kinderen komen er op een andere manier achter dan het zelf van hun ouders te horen. Kun je nagaan wat dat met hun band doet. En wat betekent het voor mijn eigen kinderen? Sinds enige tijd ben ik dus op zoek gegaan en proberen we samen met een aantal donorkinderen te zoeken naar manieren om het meer onder de aandacht te brengen, zodat hopelijk meer donorkinderen en donoren zich melden en meer (wens-)ouders het hun kinderen gaan vertellen. Dit alles om te zorgen dat er meer en betere wetgeving rondom het hele donorgebeuren komt met een veel betere controle hierop. Het heeft me al zoveel gebracht en ik heb zoveel lieve mensen mogen ontmoeten. Nooit gedacht dat ik niet de enige met dit gevoel zou zijn - dat ik niet gek ben en niet meer alleen ben in mijn gedachten.


Waar komt dat scheve lachje van mij vandaan - ook als ik serieus moet kijken op een foto? Altijd dat hoekje omhoog. Waar komt het spleetje in de tanden van mijn twee zonen vandaan? De trekken in mijn gezicht, mijn maniertjes, mijn handen. Ik kan niet positief naar mezelf kijken - niet op een foto of in de spiegel. Wat heb ik van mijn biologische vader? Die vraag is moeilijk als je dit niet kun controleren, maar ik heb natuurlijk wel vermoedens.

Mijn liefde voor water - ik houd van zwemmen- wordt niet gedeeld in mijn familie. Ik vind het heerlijk om onder water in mijn eigen wereld te zitten. Ook heb ik veel fantasie, ben een beelddenker, zit ik veel in mijn hoofd, ben een piekeraar, ik ben gek op dieren en buiten zijn, ik ben erg chaotisch, dromerig en mijn concentratie is ver te zoeken. Behalve als ik me echt ergens op wil focussen wat me interesseert, dan heb ik een enorme hyperfocus. Ik kan ergens vol voor gaan -me er helemaal op storten - en dan geen oog meer hebben voor mijn omgeving.

 

‘Papa, ik lijk steeds meer op jou’. Ja, doe ik dat? ‘Ik heb dezelfde ogen en ik krijg jouw trekken om mijn mond’. Ja, ik denk van wel, maar is dat zo? Hij heeft naar mijn idee heel sterk DNA en een ongelofelijk uitgesproken en sterk karakter. Qua karakter lijk ik volgens mij meer op hem dan qua uiterlijk, hoewel de trekken op mijn mond ook van hem komen - die zie ik ook bij mijn broer en zus. Omdat dit lied me zoveel doet, heb ik zelfs een mail gestuurd naar Stef Bos en heb de tekst van zijn liedje aangepast. Ik voel zoveel voor die man, maar heb er waarschijnlijk een veel te mooi droombeeld bij - dat het alleen maar tegen kan vallen. Ik heb hem dus nog niet gevonden - dat mag inmiddels duidelijk zijn - maar ik ben op zoek en doe er alles aan om hem te vinden. Niet omdat ik op zoek ben naar een vader, of toch misschien een soort van?

 

De meeste donorkinderen zijn echt niet op zoek naar een vader en er bestaan veel clichés dat we uit zijn op een erfenis of zoiets belachelijks. Of er wordt geroepen: ‘Je verwacht toch zeker geen plek aan de keukentafel?!’ Nee, maar misschien hoop ik daar wel ooit te kunnen zitten. Dat ik me welkom voel en het als thuiskomen voelt. Er wordt me weleens gevraagd wat ik hoop te vinden en ik kan daar geen duidelijk antwoord op geven. Ik denk (h)erkenning, maar voornamelijk ben ik op zoek naar rust. Dat zal ik namelijk niet hebben tot ik hem gevonden heb.

 

Ook al heeft deze man - waarschijnlijk uit hele goede bedoelingen om anderen te helpen - niet gedoneerd met het idee een kind op de wereld te zetten. Een beetje naïef van hem misschien? Niet in de gaten dat het kind later zou willen weten waar het vandaan komt? Niet wetende dat bijna alle donorkinderen hier vroeg of laat last van krijgen. Het niet weten waar ze vandaan komen en het niet weten wie ze voor de helft zijn. Hoe stom het ook klinkt, het voelt toch als afgewezen zijn. Diegene die voor de helft heeft gezorgd dat ik besta, heeft mij weggegeven. En ik weet met mijn verstand echt wel dat ik het zo niet kan zien, maar zo voelt het soms wel. Het doet onbewust wat met je en daar ben ik me inmiddels gelukkig bewust van. Het heeft al die jaren - dat ik het weg heb moeten stoppen omdat mijn broertjes het niet mochten weten – aan me lopen knagen. Het groot bewaarde familiegeheim.

Ik begin me steeds meer zorgen te maken dat ik hem niet of te laat ga vinden. Waarom is hij niet op zoek naar mij? Als hij nog zou leven, waarom heeft hij zichzelf dan niet gemeld? Ik zal er in elk geval alles aan doen om hem te vinden. Ook hierover heb ik gefantaseerd, maar wat hoop ik dan? Dat ik met open armen word verwelkomd? Dat er iemand zegt dat hij trots op me is - trots op wie ik ben geworden – en me die aai over mijn bol geeft? Ik hoop zoveel, maar ik verwacht niets.

 

Ik zie je voor me met mijn ogen dicht.

Ik kan je voelen met mijn hart op slot.

Ik hoor je praten, maar je bent er niet, je bent er niet.

 

En ik voel me verloren als ik jou moet verliezen.

En je mag nog niet sterven, want ik kan je niet missen.

Ik kan je niet missen.


Door de wind.

Door de regen.

Dwars door alles heen.

Door de storm.

Al zit alles me tegen.

Ik ga je zeker vinden!

 

Ik heb me verdiept in het maken van een stamboom, hoe je via verre matches een stamboom kan bouwen en zo uiteindelijk bij je vader uit kan komen. Ik zie soms door de (stam-)bomen het bos niet meer. Het is veel werk en een kwestie van tijd, heel veel tijd. Door mijn nieuwe werk en een verhuizing heb ik die tijd nog niet gehad, maar ik heb besloten dat ik er nu tijd voor ga maken. Het is keuzes maken, want het kost zoveel energie. Ik hoop hem op een dag te vinden en ik doe dit niet alleen voor mezelf. En ook al weet ik dat ik er rekening mee moet houden - gezien de leeftijd die de donoren inmiddels zullen hebben - ik weet ook dat ik het mezelf niet zou kunnen vergeven als ik er nu niet alles aan doe.

 


Ik heb altijd gezocht naar de connectie met mijn vader. Ik wilde herkenning zien, erkenning voelen. Maar die was er nooit. Ik herkende me totaal niet in hem, maar ik deed er alles aan om op hem te lijken. Begrijp me niet verkeerd, ik ben gek op mijn vader en hij heeft echt alles voor ons gedaan. Altijd hard gewerkt om ons alles te kunnen geven. Zo zette hij ’s avonds mijn elektrische dekentje aan of krabde het ijs van de ramen van mijn auto als ik weg moest, maar er miste altijd iets waar ik mijn vinger niet op kon leggen. En toen ineens viel alles dus op zijn plek, maar het deed ook mijn wereld instorten. De ontdekking was ook een opluchting, omdat ik me niet meer schuldig hoefde te voelen dat ik geen band kon krijgen.

 

Toen ineens - na achtendertig jaar - kreeg ik een knuffel en zei hij voor de eerste keer in mijn hele leven: ‘Ik hou van jou, dat weet je toch?’ Nee, dat wist ik niet. Ik geloofde het ook niet. Op dat moment brak de paniek uit, want ik wist niet waar ik het zoeken moest of wat ik met de situatie aan moest. Hij zal - denk ik - ondanks dat ik gewenst was en hij me zag als zijn eigen kind, onbewust niet goed hebben geweten wat hij met me aan moest. Hoe hij een band met me op moest bouwen met in zijn achterhoofd een groot geheim.

Ik ben altijd op zoek geweest naar een vaderfiguur, iemand die zich over mij zou ontfermen en mij zou beschermen en die onvoorwaardelijk van me houdt. Daarom ging ik - denk ik - alleen met jongens om; was ik één van de jongens. Ik wilde die bescherming, die veiligheid dat er voor me gezorgd zou worden. ‘Had ik maar iemand om van te houden. Twee zachte armen om me heen. Die mij altijd beschermen zouden. Ik voel me zo verdomd alleen.’

Toen ik de waarheid wist, verklaarde het veel dingen, en nog steeds heb ik van die momenten dat ik ineens snap waarom iets zó ging of waarom bepaalde dingen me zoveel doen. Toen ik besloot te gaan zoeken heb ik mijn broertjes op de hoogte gebracht. Mijn jongste broertje gaf aan dat hij er zelf geen behoefte aan heeft, maar als hij kon helpen - door bijvoorbeeld te testen - dan zou hij dat voor mij doen. Dus ik dacht echt dat er begrip was en dat ik gesteund werd in mijn keuze en zoektocht. Niet wetende hoezeer ik de deksel op mijn neus zou krijgen. Ik snap wel dat ze zelf toen ook niet beseften hoeveel het voor hen zou veranderen. Mijn moeder heeft toen ook dingen gezegd waarvan ze niet wist dat dit mij zou bereiken. Ze heeft gezegd dat ze hoopte dat ik hem nooit zou vinden. Waarschijnlijk uit angst - maar wauw - hier zijn geen woorden voor. Na alles waar ik doorheen was gegaan, konden ze nog geen begrip hebben voor het feit dat ik dit nodig had. Ze bleven voornamelijk bang voor wat het voor henzelf zou betekenen.

 

Ik heb meerdere keren gevraagd om hier samen over te praten - hoe moeilijk en spannend ik dat zelf ook vond - maar daar was geen behoefte aan. Ik vond het moeilijk dat mijn broertjes hierover niet wilden praten en voor mijn gevoel staken ze hun hoofd in het zand. Dat heeft me ook pijn gedaan, want eigenlijk zitten ze in hetzelfde schuitje. Het had iets van ons samen kunnen zijn en het had onze band sterker kunnen maken. Ik had dit zo graag samengedaan, de zoektocht.

Mijn kinderen zijn ook een stuk ouder dan hun neefjes en nichtjes en ik snap dat ik hierin al een stuk verder ben. Ik ben vaak genoeg tegen vragen aangelopen betreffende mijn kinderen. Ik heb er daarom ook meer onderzoek naar gedaan, ben meer gaan lezen over de consequenties en herkenbare gevoelens die andere kinderen kunnen hebben. Ik heb het mijn kinderen wel verteld en dat is voor mijn broertjes moeilijk te begrijpen. Het is een keuze die zij zelf niet zouden maken. Maar ik wil daar niet over liegen tegen mij kinderen, niet over waar ze vandaan komen. Dan zou ik hetzelfde doen als mijn ouders bij ons hebben gedaan. Ik weet wat het met mij gedaan heeft en wens dat een ander niet toe, laat staan mijn eigen kinderen. Het is ook naïef om te denken dat je het kunt negeren. Je krijgt continu die vragen, zoals: ‘Zit dit in de familie? Is dit erfelijk?’ Je wordt er zo vaak mee geconfronteerd dat je het niet weg kunt stoppen, dat is niet gezond.

 

Toen mijn broertjes hoorden dat ik een broer had gevonden waar ik al zo snel zo’n sterke band mee aan het opbouwen was, veranderde alles. Mijn jongste broertje werd pas echt boos toen hij hoorde dat we het de kinderen hadden verteld. Want die zouden weleens tegen opa kunnen gaan zeggen dat hij niet hun echte opa is. De rest van de familie vond ook dat we dit eerst hadden moeten overleggen. En dan komt er een leeuwin in mij naar boven: mijn kinderen ga je niet hetzelfde opleggen als bij mij is gedaan. Ook denk ik dat het wel erg kortzichtig is en ze beter hadden moeten weten hoe makkelijk kinderen hiermee omgaan. Kinderen staan open voor allerlei soorten gezinssituaties, zijn enorm ruimdenkend en maken nergens een probleem van. Het zijn de volwassenen die dat doen. En wat hadden ze dan verwacht? Alsof ze niet zien of meekrijgen dat mama heel vaak erg verdrietig is? Wat hadden we dan moeten zeggen toen mijn grote broer naar Nederland kwam? Dat kun je toch niet geheimhouden, dat kun je toch ook niet verlangen?

Het kwam door één ruzie allemaal weer boven water: hoe ze echt over mij en mijn man dachten. Ik heb toen aangegeven dat ik kerst niet samen wilde vieren en dat maakte het alleen maar erger. We hadden net Sinterklaas samen gevierd en toen hing er al een gespannen sfeer, verschrikkelijk. Ik werd genegeerd en kon niet praten over wat mij bezighield, wat ik mee had gemaakt. Telkens was ik aan het afwegen wat ik wel en niet kon zeggen en dat maakte dat ik dan maar niets meer zei. Dat kon ik niet meer, dan maar liever helemaal niet. Door de spanning was ik compleet leeg toen we weggingen en dat reageerde ik onbewust weer af op mijn kinderen.

Daarna heb ik een tijd geen contact meer met de familie gehad en pas na een hele tijd kwam dit weer een beetje op gang. Alleen werd er niet meer gesproken over wat er gebeurd was. En dán is het blijkbaar goed, als we niet praten over wat er werkelijk toe doet. Ze hebben gewoon niet in de gaten dat het mij het gevoel geeft dat ík er niet toe doe. Ik begrijp zeker wel dat het ook voor hen veel naar boven heeft gehaald en dat het ook voor hen veel betekend en veranderd heeft. Maar ik had niet verwacht dat ze helemaal niet wilden luisteren of zich niet in wilden leven. Dan zouden ze zelf toch ook hebben ingezien dat ik zoiets niet geheim kon houden of dat zou willen. Ze zijn zelf toch ook jarenlang voorgelogen geweest? Ik snap dat mijn beslissing ervoor heeft gezorgd dat hun leven ongevraagd ook op zijn kop is gezet. Omdat ik geen ‘dingen’ in kan vullen voor hen, wil ik ze niet te veel in mijn verhaal betrekken. Ik probeer alleen uit te leggen wat dit alles met mij gedaan heeft.

Het enige wat alleen wel in mijn achterhoofd blijft hangen is: wat áls ik weer een misstapje maak of wat áls ik weer iets doe wat niet in hun straatje past?

Tijd heelt alle wonden. Ik denk dat ze gezien hebben dat het helemaal niets hoeft te veranderen of dat onze kinderen niet reageren zoals zij verwacht hadden. Ik weet het eigenlijk niet, want er wordt niet over gesproken. Ik ben heel blij dat het contact er weer is. Ik vind het ook heel erg knap dat mijn broertje nu de eerste stap heeft gezet en soms ineens binnenkomt wandelen. Maar ik wacht ook op die ene dag - en ik weet dat die zal komen - dat ik mijn biologische vader zal vinden. En dat gaat gebeuren, maar wat dan?

 

Mijn vader heeft ooit eens geroepen: ‘Als ik dit had geweten, waren we er nooit aan begonnen’. Terwijl ik dit schrijf schieten de tranen weer in mijn ogen. Met mijn verstand snap ik dat dit in een boze bui gebeurde - uit onmacht - omdat het gezin uit elkaar lag en dat het in hun ogen mijn schuld was. Dat hij eigenlijk heel blij was met ons, maar mijn gevoel zegt duidelijk wat anders. Je hebt die keuze nu eenmaal gemaakt en dan heb je ook te dealen met de gevolgen, vind ik. Je kunt niet kiezen om alleen de leuke gevolgen te accepteren en de vervelende niet en dan wensen dat je het niet had gedaan. Dan wil je mij dus ook alleen als ik de dingen doe die je van mij verwacht en de perfecte dochter ben. Ik ben geen product dat kapot geleverd wordt en je vervolgens weer retour kunt sturen. En als iets het niet naar behoren doet, dan gooien we het weg of wensen we dat we het nooit gekocht hadden?

Dit gaat echt ver, ik weet het. Maar ik ben ervan overtuigd dat dit nooit zover was gekomen als er open over gesproken zou worden. Dat er in het begin niet over gesproken werd, kan ik nog begrijpen. Wat ik ze wél kwalijk neem, zijn de beslissingen daarna. Dat ik er daarna nog steeds niet over mocht praten. Dat ik eerst te horen kreeg dat mijn vader niet mijn biologische vader is en ik er daarna niet meer over mocht praten. Dat ik niet kon delen dat ik er een broer bij had. Want dat is ‘maar een halfje’ - dat is niets van je - daar ben je niet mee opgegroeid.

 

Het volgende zei Ties, de voorzitter van stichting Donorkind in een podcast:

‘Je kunt het goedmaken. Door te erkennen komt de openheid en komt de ruimte om het goed te maken. Als je het altijd blijft ontkennen of blijft zeggen dat het niet zo is of dat je het anders moet zien, dan maak je het niet goed.’

 

Ik snap dit wel. Het is ook moeilijk om te erkennen dat je iets hebt gedaan wat niet goed was en dat je iets aangenomen hebt van iemand die er ook geen verstand van had of je voorgelogen heeft. Omdat ze het geheim moesten houden, hadden ze eigenlijk toen al kunnen weten dat er iets niet klopte. Ik denk dat het goed is dat we hier eens over praten. Ik heb dit namelijk nooit zo verteld en doe dan precies hetzelfde. Door het niet te erkennen, kom je niet verder. Ik heb dit wel geprobeerd in de tijd dat ik de burn-out begeleiding heb gehad en daarna door naar een psychologe te gaan. Allemaal vonden ze dat ik de confrontatie aan moest gaan - een brief moest schrijven - en dat heb ik ook gedaan. Maar mijn moeder walste als een bulldozer overal overheen. Volgens haar praat een psycholoog je alleen maar problemen aan. Dus ik kroop als een trouwe onderdaan weer terug in mijn schulp en hield me koest. Als mijn ouders langskomen of als wij daar zijn, dan ben ik niet mezelf - een lege huls. Ik voel de spanning en sta altijd op scherp. Daarna ben ik op en is de energie eruit. Mijn moeder zegt weleens dat ik alles kan vertellen en vraagt of ik het gevoel heb dat ik dat niet kan. Gelukkig gebeurt er dan altijd wat, zodat ik geen antwoord hoef te geven. Maar misschien vraagt ze dat juist op die momenten, zodat ze het antwoord niet hoeft te horen. Want als ze het écht wil weten, vraagt ze wel of we een keer kunnen praten, zonder dat er kinderen rondrennen. Niet dat ik dat wil of kan, want ik denk niet dat het slim is om dit zonder onafhankelijke partij erbij te doen. Tenminste niet met wat ik allemaal te vertellen heb, het zweet breekt me nu al uit. En wat is het dan nu? Doen alsof, tot het einde? Wil ik dat dan? Mijn god, terwijl ik mijn verhaal aan het schrijven ben, besef ik steeds meer wat er kapot gemaakt is. Wat een geheim doet met iemand, met die onderlinge band. Ik vind het zo jammer, maar ik denk niet dat hier ooit verandering in zal komen. Ik denk niet dat dit nog te herstellen is, zoveel als er gebeurd is. Ik zou het ze wel graag nog eens laten weten wat het allemaal met me gedaan heeft en wat ik dus echt voel en niet dat stukje wat ze ziet. Misschien, wanneer het boek uitkomt. Ik weet nog niet of ik het ze wel of niet wil laten lezen. Als ik ze vertel over het boek dan zal ze het willen lezen, maar dat zal inslaan als een bom. Ik ben veertig jaar en nog steeds bang om de waarheid tegen mijn moeder te vertellen, tegen mijn familie. Dat is toch erg? Dus ik begrijp de angst wel die er was om mij de waarheid te vertellen, maar niet dat er daarna nog wordt geprobeerd dit weer weg te stoppen.

 

Dit is het voorbeeld dat ik heb gekregen: beter liegen dan de waarheid vertellen en alles om de lieve vrede te bewaren. De kinderen zijn gek met opa en oma en dat vind ik heel belangrijk, daar ben ik echt blij om. Die hebben ze ook gemist in de tijd dat het contact er niet was en dat zou ik ook niet meer kwijt willen. Het is moeilijk uit te leggen wat een geheim met je doet. Er werd telkens verteld dat ik het tegen niemand mocht vertellen. Er ontstaat een raar zelfbeeld, een groot verschil tussen wat je naar de buitenwereld doet en wat je zelf voelt. Het is een monster dat steeds groter wordt en eruit wil. De buitenkant was vrolijk en leuk en deed alsof er niets aan de hand was. Niet geloven dat iemand je leuk vindt, wacht maar af tot je ziet wie of wat ik van binnen ben, wat een donkere gedachten ik heb. Van binnen weet ik niet wie ik ben, ben ik een loser, ben ik helemaal niet leuk. Dat is wat geheimhouding met je doet, je gaat jezelf zo echt zien. Door de therapie ben ik een beetje gaan zien dat ik meer ben dan dat, maar ik denk dat ik daar nog lang niet ben en veel nog weg stop. En telkens als ik weer naar binnen ga, nu ik dit aan het typen ben, des te meer er naar boven komt.

Hello darkness, my old friend

I’ve come to talk with you again

Because a vision softly creeping

Left its seeds while I was sleeping

And the vision that was planted in my brain

Still remains

Within the sound of silence

- Simon & Garfunkel, 1964

 

Daarom snap ik het niet. Ook mijn moeder heeft met een geheim rondgelopen en heeft telkens te horen gekregen dat het beter was niets te vertellen. Beter voor het kind, voor de omgeving en voor de band tussen vader en kind. Ze moet het ook lastig hebben gevonden met een geheim rond te lopen. Maar in plaats van te begrijpen wat een geheim met je doet en mij niet hetzelfde aan te willen doen, legt ze het geheim bij mij neer. Zo ik ben het kwijt, ik ben ervan af en nu zit jij ermee. Dit vind ik nog zo lastig om te vergeven. Zo lastig te begrijpen dat ze dat bij mij gedaan heeft. Op dat punt ben ik opnieuw begonnen, ben ik afstand gaan nemen en ben ik mijn muur gaan bouwen.

 

Als ik namelijk de keuze had gehad dan had ik het beter gevonden als ze voor adoptie waren gegaan. Dan was ik er niet geweest, dat begrijp ik. Hoewel er in elke industrie misbruik gemaakt wordt van de kinderwens die ouders hebben en er ook bij adoptie misstanden zijn. Maar mijn ouders hebben gekozen voor een behandeling met de inseminatie met zaad van een anonieme donor. Waarom? Wilde mijn moeder in elk geval dan kinderen die wel van zichzelf waren, omdat die bloedband zo belangrijk is? Waarom is die bloedband dan ineens niets waard als ik op zoek ga naar mijn biologische vader of wanneer ik broers en zussen vindt? Daarbij maakte ze wel de keuze de helft van mijn bloedband - van mijn afkomst - verborgen te houden. Ze kozen voor een anonieme donor, bewust. Ze maakten voor mij de keuze dat het niets uit zou maken dat ik nooit zou weten waar ik vanaf stam. Ik blijf het egoïstisch vinden. En het zal de onwetendheid zijn. De meeste schuld ligt nog wel bij de artsen: zij hebben zich laten vertellen dat het beter was voor een anonieme donor te kiezen en om het nooit te vertellen tegen de kinderen, omdat dat slecht zou zijn voor de band. Ze moesten eens weten. En eigenlijk begonnen in die tijd die inzichten al wel te komen, maar er werd niets mee gedaan. Ik neem mijn ouders daarin niets kwalijk en plaats het in die tijdsgeest. Maar nu in deze tijd - met zoveel verhalen die naar buiten komen - vind ik het onbegrijpelijk. Mijn nieuwe broers en zussen zijn dus niets? Omdat ik daar niet mee opgegroeid ben? Ik heb meer verwijt richting mijn moeder. Misschien doordat ik het zo knap vind dat mijn vader zijn trots opzij heeft gezet om de kinderwens van mijn moeder te bevredigen. Terwijl mijn moeder het altijd heeft willen vertellen, zal het ook voor haar ook echt niet makkelijk zijn geweest.

 

Niet veel later - na het opsturen van mijn eerste DNA-test op 14 september 2018 - waren de resultaten bekend. En wat stond daar nu? Ik had een broer, en ik herkende zijn naam uit de Facebookgroep. Dus toen ik wilde gaan kijken, zag ik dat ik al een bericht had van hem. Daarna is alles in een sneltreinvaart gegaan. Ik zie in hem dingen terug bij mij of mijn kinderen. Mijn twee zonen hebben een spleetje tussen hun tanden en mijn broer ook - dat vind ik wel een heel opvallend kenmerk. Zijn dochter lijkt op mij vroeger en toen ik een foto van zijn dochter zag en hij een jeugdfoto van mij, schrokken we er allebei van. Ook hebben we allebei een pasfoto van rond dezelfde leeftijd met allebei hetzelfde scheve lachje en dat mondhoekje omhoog. Ik voelde zo snel een sterke band dat we niet konden wachten om elkaar te zien. Helaas woonde hij in het buitenland, dus dat was niet zo een, twee, drie geregeld. Maar de drang was zo groot dat hij en mijn man hadden geregeld dat hij als verassing naar Nederland zou komen.

 

Die hele ochtend had ik al zo’n raar gevoel en dan liep ik ineens naar het raam en keek ik of ik de auto zag van mijn broer. Zo stom, ik had echt het gevoel dat hij zo om de hoek zou komen rijden. En toen belde mijn man of ik even kwam helpen in de garage. Het was zo’n filmmomentje, dat je normaal alleen op tv ziet. Ik kwam de hoek om, zag mijn man filmen en wist meteen wat het moest zijn! Ik wist niet hoe snel ik mijn grote broer een knuffel moest geven. Mijn grote sterke broer, die bergen voor me zou verzetten. Ik kreeg een bos met achtendertig rozen voor elk jaar dat we elkaar hebben moeten missen. Wat voelde ik me speciaal. Niet veel later ben ik alleen met de trein naar mijn broer en zijn gezin gegaan en ben ik daar twee nachtjes blijven slapen. Ik vond het superspannend en ook stoer van mezelf, maar zag het als een grote stap van mij om helemaal alleen met de trein deze reis te maken.

Vroeger vond ik altijd dat ik bestemd was voor iets heel groots en wilde alleen de wereld over reizen. Ik dacht dat ik als moeder Theresa kon worden, maar ik ben altijd klein gehouden en heb ook mezelf klein gehouden. Het moet voor onze partners echt heel raar zijn geweest in het begin, want het was net een verliefdheid. We konden geen genoeg krijgen van met elkaar praten of gewoon elkaar aankijken. We appten veel, stuurden foto’s, facetimeden soms ruim vier uur achter elkaar.

Waarschijnlijk is het daarom fout gegaan. Het was te snel en te veel voor ons en onze gezinnen. Het kwam ook wel door wie we zijn - het zit in ons karakter, denk ik. In elk geval in dat van mij. En toen ineens was er geen contact meer. Of niet ineens: er zijn ook nog wel lelijke dingen gezegd die best wel wat impact hebben gehad op mij en andersom waarschijnlijk ook. Het heeft me daarna keuzes doen maken die ik anders niet had gemaakt. Ik zou het er graag nog eens met hem over hebben zonder oude koeien uit de sloot te halen. Gelukkig is het contact sinds begin dit jaar weer gekomen en zijn we dit langzaam aan het opbouwen. Het doet me nog steeds heel veel merk ik op het moment dat ik dit schrijf - een paar jaar later. Hij blijft speciaal en ik zou hem zo graag weer een knuffel geven wanneer het weer kan en mag.

 

Hey Brother, there’s an endless road to re-discover.
Hey Sister, Know the water’s sweet but blood is thicker.
Oh if the sky comes falling down, for you, there’s nothing in this world I wouldn’t do.

Avicii, 2013

 

Op 1 maart 2020 kreeg ik een bericht en had ik er een zusje bij. Wauw, een zusje. Het bleek dat ze vlakbij woonde en ik vroeg meteen of de koffie al klaarstond of dat dat misschien te enthousiast was? Niet veel later stonden mijn man en ik daar voor de deur. En dat was het begin van een hele fijne tijd samen. De ontmoeting met mijn zusje verliep heel anders dan met mijn oudere broer. Daar was ik veel behoudender of meer terughoudend. Mijn man zei al dat ik dat dus niet moet doen, want dan ben ik niet mezelf. Hoewel ik dat best wel weet, spelen ervaringen uit het verleden natuurlijk een grote rol. Ik wilde niet dat het weer zo zou lopen, net als met mijn broer. Op dat moment hadden hij en ik nog steeds geen contact. Ik was bang en had me in mijn hoofd gehaald dat het allemaal aan mij lag. Achteraf heb ik daar wel spijt van, want voor mijn zusje was het natuurlijk wél de allereerste keer en ik gun haar het allermooiste en het allerbeste. Ze wist het nog niet zo heel lang en voor haar is zo’n ervaring weer heel anders, maar dat is dan ook haar verhaal om te vertellen.

 

Ik heb me daar vanaf het begin welkom en thuis gevoeld en dat doe ik nog steeds. Vanaf het begin dat ik daar kwam, heeft ook haar moeder mij geaccepteerd. Zo kan het ook, en dat maakt zoveel verschil. Ik moet nog wennen aan een band opbouwen met een vrouw en aan het hele ‘zussending’. Ik ben dat niet gewend en weet niet zo goed hoe dat moet, maar daar gaan we wel uitkomen, het went steeds meer. Ik durf haar nog niet zo goed een knuffel te geven en weet me soms geen houding te geven. Maar het doet me zo goed, want ook bij haar heb ik zoveel herkenning. Vanaf het begin komen we regelmatig bij elkaar over de vloer en hebben we elkaar al veel geholpen. Ik vind haar een fantastische moeder en vrouw en ben supertrots op haar. Ook voor mijn man is de band met onze zwager heel fijn en merk ik dat hem dat goed doet. In februari is hun derde kindje geboren en vertelt ze me dat haar tweede naam vernoemd is naar haar overleden vader en naar mij - familie die er helaas niet meer is én nieuwe familie. Hoe bijzonder is dat! Apetrots ben ik.

En wat leek haar jongste kind veel op mijn broertje toen hij klein was. Toen hij dat hoorde en zag begon er bij hem toch ook wat te veranderen en wilde hij ook graag een test doen. Mijn moeder heeft het in het begin nog willen negeren. Zelfs toen mijn dochter enthousiast haar verjaardagscadeautje liet zien, werd er telkens overheen gepraat en werd ze genegeerd. Mijn vader is zelfs een keer mee daarnaartoe geweest en was er verbazingwekkend veel opener over. Mijn zusje was laatst hier en toen zei mijn vader zelfs dat hij blij was dat wij elkaar gevonden hebben. Hoe mooi is dat! Ik ben zo’n reactie niet gewend en weet me dan even geen houding te geven. Dat moet ik hem toch eens zeggen dat ik dat heel knap van hem vind en zo fijn is dat hij hiervoor openstaat en dat het veel voor mij betekent.

 

Op 18 november 2020 zijn we gematched aan nog een zusje en wat bleek: ze heeft een tweelingbroer die volgens haar sprekend op mijn broertje lijkt. Hij wil er alleen nog niets van weten en ze wilde het eerst aan hem vragen of ze een foto mocht delen. Verder heb ik tot op heden niets meer van haar vernomen. Iedereen is in een andere levensfase en iedereen gaat er op een andere manier mee om en heeft wel of geen behoefte aan contact. Wie weet wat het bij haar familie allemaal teweegbrengt? Ik kan me daar inmiddels wel een voorstelling van maken. Dat respecteer ik en hoewel ik dat erg jammer vind, kan ik daar ook niets aan veranderen. Maar het doet wel wat met je, het voelt toch als een soort afwijzing en ook dát moet je weer een plekje geven.

 

Door deze laatste match kwam ik ook tot het besef, dat onze donor dus minstens tien jaar lang gedoneerd moet hebben. Dat kwam wel even hard binnen en ik heb echt flink zitten janken. Hoeveel broers en zussen heb ik dan nog? Minstens honderd, misschien nog meer? Het doet soms pijn om te weten dat ik waarschijnlijk nooit hun naam zal kennen of hen zal ontmoeten, omdat veel ouders het nooit zullen vertellen. Ik hou van ze en mis ze, zonder ze te kennen. Ik ben dankbaar dat ik niet per ongeluk met een van hen getrouwd ben. Maar ik maak me wel zorgen dat een van mijn eigen kinderen per ongeluk in een relatie komt met een van hun vele neefjes of nichtjes. Dit zullen ze nooit weten zonder een DNA-test te doen. Kun je het je voorstellen dat je vriendjes of vriendinnetjes moet gaan screenen of ze potentieel familie zijn? Wat als een neef of nicht een relatie krijgen en ze komen er later achter via DNA, en dat een van de ouders niet eens wist dat hij/zij een donorkind is? Het maakt me misselijk als ik erover nadenk hoe complex dit allemaal kan zijn voor mijn kinderen. Niet dat ik er wat aan kan veranderen en gelukkig kan ik dan ook snel weer denken ‘het is zoals het is’. Dit kan ik veel beter dan jaren geleden, ik kan er ook niets aan veranderen, maar het blijft een achtbaan. Ik raak nooit gewend aan achtbanen, maar omdat ik al in een paar achtbanen heb gezeten kom ik er minder misselijk, ondersteboven en meer ongeschonden uit dan van de eerste.

 

Ik kijk inmiddels liever naar de positieve dingen die het heeft gebracht en nog steeds brengt. Wat een wonder het is om er familie bij te krijgen: een grote broer en een zusje te hebben en om nog eens tante te worden. Mijn dochter is ontzettend jaloers dat ik er wel een zusje bij kan krijgen, terwijl zij dit al jaren wil. Ze is supertrots op haar nieuwe, kleine nichtje en we vinden het zo speciaal dat ons nichtje al een aantal keer bij ons is komen logeren. Mijn zoon maakte bij de laatste match de opmerking: ‘Zo, dat wordt een drukke bedoeling met kerst!’ Ik vind het eigenlijk alleen maar leuk, hoe meer zielen hoe meer vreugd. En wie daar niet mee om kan gaan, blijft lekker weg, want ik ga me niet meer schikken naar anderen. Ik droom weleens van een mooie zomerdag en dan zie ik in onze tuin een tafel vol met mijn familie. Ik voel me hier ontzettend fijn bij en het voelt zo goed en dat is het allerbelangrijkste.

 

Wie ik ook heel dankbaar ben - die ik zeker niet mag vergeten in dit hele verhaal - is mijn man. Hij heeft het nogal zwaar te verduren gehad met mij, maar ondanks alles is hij er nog steeds. Toen ik hem leerde kennen, had ik net mijn muur omhooggetrokken en was ik me aan het verstoppen. Ik gaf hem destijds vaak de schuld van heel veel dingen. Ik ben steeds minder gaan praten en me steeds meer gaan inbeelden dat hij alleen bij me was om maar niet alleen te hoeven zijn. Daar deed ik hem enorm mee tekort, want daar zei ik dus mee dat hij ook niets anders kon krijgen. Het klopte van geen kanten, maar ik dacht echt dat hij me niet goed genoeg vond en me elk moment kon verlaten. Ik ben onze relatie gaan saboteren en was ervan overtuigd dat hij zou gaan. We zijn nu al zo lang samen en we hebben allebei fouten gemaakt. Hij houdt van de dingen waarvan ik dacht dat hij die verschrikkelijk aan mij vond. Hij sprak de liefde niet uit, maar ik zocht wel die bevestiging - alleen ik vroeg er niet naar. We hebben allebei een nieuwe kans gekregen en ik ben blij dat we die allebei genomen hebben. Na deze - voor ons - zware tijd besloot ik ook nog eens te gaan zoeken naar mijn biologische vader en dat was het begin van weer een nieuwe, turbulente tijd: een rollercoaster. Hij heeft me altijd verdedigd - ten koste van zijn eigen relatie met mijn ouders en broertjes - omdat hij bang was dat ik weer terug zou vallen. Dat had hij nog nooit gedaan en dat voelde zo goed. Hij heeft altijd achter mij gestaan, was mijn steun en toeverlaat en het was voor hem zeker ook niet makkelijk. Maar ook hier zijn we doorheen gekomen. Deze keer door meer te praten en steeds meer over onszelf te leren en houden.

 

‘Ik hou van jou’ is niet de sleutel tot de ander,

maar ‘ik hou van mij’  al klinkt dat bot en slecht.

Want wie van zichzelf houdt, die geeft pas echt iets kostbaars als hij ‘ik hou van jou’ tegen een ander zegt.

Harrie Jekkers

 

We zijn er nog lang niet en moeten eraan blijven werken, want een patroon van meer dan twintig jaar doorbreek je niet zomaar. Ik hoop dat we nu eindelijk in een rustiger vaarwater gaan komen. De laatste tijd merken we allebei dat het weer meer met ons doet - nu alles weer naar boven komt - maar dat het ook goed is dat ik het eens op papier heb gezet. En er zullen vast nog nieuwe stormen komen, maar daar komen we ook wel weer doorheen - samen - om er sterker uit te komen. Ik hoop dat we nog veel mooie momenten mogen gaan beleven met de kinderen én met een nieuwe familie.

 

Ik denk dat het mooi is om hiermee af te sluiten. Ondanks wat er allemaal gebeurd is, ben ik nog steeds blij het te weten. Als iemand me van tevoren had gewaarschuwd en tegen me had gezegd: ‘Je moet zelf beslissen of je het risico wilt lopen om je leven op zijn kop te zetten.’, dan nog had ik het gedaan. Ik ben er een veel sterker persoon door geworden en had dit proces en deze familie voor geen goud willen missen. Ik kan geen rekening meer houden met de gevolgen van keuzes die anderen hadden gemaakt. Ik kan me nu alleen maar zorgen maken over de gevolgen van mijn eigen keuzes. Dat er mensen zijn die afstand nemen bijvoorbeeld. Maar ik kan niet meer terug, ik weet het nu. Ik weet dat er nog veel meer familie is en dat ik mijn biologische vader kan vinden. Ik heb gezien wat de gevolgen zijn en wat het met mij gedaan heeft, dus ik kan niet meer terug naar doen alsof het er niet is.

 

Mijn naam is Marianne en ik wil alleen maar weten wie ik ben.